zondag 7 juli 2019

Boerin blikt terug op de toekomst


Eind juni hadden wij een korte maar heftige ontmoeting met de toekomst. Een kleine week kregen wij te maken met een thermometer die overdag niet onder de 36°C zakte en ’s nachts niet onder de 20°C. Iets wat volgens deskundigen, met het oog op de klimaatverandering, geen incident meer zal zijn maar steeds vaker voor zal komen.

Gelukkig werd de hittegolf ruim van te voren aangekondigd. Hierdoor konden wij de vernevelaar, die nog vorstvrij in de opslag stond, tijdig aansluiten op de ventilatoren in de stal en testen. Er zaten wat spuitkopjes verstopt maar na even schoonvegen sproeide ook deze een verkoelende waternevel door de stal van de koeien. De groenteafdeling van de supermarkt was er niets bij. We waren klaar voor de hitte die komen zou.

De eerste dagen kwamen wij en de koeien de dagen min of meer probleemloos door. Er werd gezweet en gepuft maar verder geen noemenswaardige problemen. Na de melkbeurt door de robot konden de koeien kiezen om buiten te blijven of weer naar binnen te gaan. Overdag kozen de koeien ervoor in de stal verkoeling te zoeken en ’s nachts bleven ze buiten om bij te komen en af te koelen onder een heldere sterrenhemel. Want ondanks de ventilatoren en verneveling was het overdag toch behoorlijk warm in de stal. De melkproductie zakte in een paar dagen met enkele liters maar niet zorgwekkend.


Melkproductie, omgekeerd evenredig met de dagtemperatuur
Eén van de laatste dagen werd de hitte pas problematisch. Ook ’s nachts bleef het warm, de luchtvochtigheid was hoog en er was geen zuchtje wind. De warmte leek zich als een beklemmende deken om je heen te slaan om niet meer los te laten. ’s Ochtends vroeg zag ik de koeien al puffen van de hitte terwijl dat normaal pas in de loop van de middag gebeurde. De zorgen om de melkproductie sloeg langzaam om in vrees voor de gezondheid van de koeien. Zorgen dat ze niet oververhit raken, dat ze gemolken worden, genoeg drinken, desnoods afkoelen met een sproeier.

Zelf raakte ik bijna oververhit toen bleek dat de melkrobot een probleem had met het schoonspoelen van de melkbekers. Dat techniek het laat afweten, oké, dat kan gebeuren. Maar niet op één van de warmste dagen van het jaar. Dat is dan net een stressfactor teveel. Niet wetende met welke verrassing één van de werknemers van de buurman kwam aanrennen. Het zweet liep van zijn voorhoofd en vroeg of wij nog water hadden want hij had zojuist tijdens graafwerkzaamheden een waterleiding doorgegraven. Tja…zo’n waterleiding kan je beter nooit opgraven maar op één van de warmste dagen van het afgelopen decennia is min of meer rampzalig. Tijd of energie om boos te worden was er niet. Die leiding moest zo snel mogelijk gerepareerd worden voordat onze eigen waterbron droog zou komen te staan. Sinds kort is deze niet meer toereikend om een hele dag door te komen (vanwege de geringe regenval het afgelopen jaar) en gebruiken we ’s middags stadswater afkomstig van de leiding die zojuist helaas was doorgegraven.

Wat volgde was een strijd tegen de sluitingstijden van de kluswinkels om de juiste koppelstukken te vinden en de buffer van onze waterbron. Rond een uur of 12 ’s middags was de leiding tijdelijk gerepareerd met spullen van de lokale kluswinkel. De reparatie drupte helaas wel en na een uur maakte het druppelen plaats voor een frisse nevel. Het vermoeden was dat de noodreparatie het niet lang meer zou volhouden dus werd een zoektocht langs andere kluswinkels georganiseerd om professionele koppelstukken te vinden. Om vier uur ’s middags waren we, zoals het hoort, weer aangesloten op het stadswaterleidingnet en kon ik een rondje doen door de stal. Ondertussen tikte het kwik van de thermometer de 39°C aan.
waterleiding die op het punt staat weer te springen...

Bijna alle koeien lagen te hijgen en te zuchten en hadden geen zin om te vreten of naar de robot te gaan om te worden gemolken. Sommige koeien zochten zelfs verkoeling door op de harde betonvloer te gaan liggen in plaats van op de zachte matrassen. Ook werden de waterbakken gebruikt om elkaar of zichzelf nat te spetteren in plaats van het water op te drinken. Zonder inspanning transpireerde ikzelf alsof ik met de fiets, in de volle zon, een hoge berg had opgefietst. Normaal betaal ik voor een sauna, nu kreeg ik deze gratis en ongevraagd. De melkproductie leek per uur verder weg te zakken en volgens de computergegevens zakte ook het herkauwen van de koeien naar een historisch dieptepunt (van 480 minuten naar 340 minuten herkauwen per dag).

Dit kon zo niet veel langer duren. Dat was duidelijk. In plaats van elk uur, keek ik nu neurotisch elke vijf minuten op de weerapp. Er veranderde weinig. Pas morgen zou de temperatuur iets zakken. Het enige wat restte was hoop. Hoop dat de koeien het tot die tijd vol zouden houden… en ikzelf ook.

Na de avondwerkzaamheden snakte ik vermoeid en met knallende hoofdpijn van de dorst naar een verfrissend drankje maar mijn oog viel op een gierzwaluwtje dat veel te vroeg uit het nest leek te zijn gevlogen. Gevlucht voor de hitte waarschijnlijk. Ik keek nog iets beter en zag dat het beestje nog leefde. En... ik zag er nog veel meer. Zeven stuks. Vier levend en drie anderen waarschijnlijk gegrepen door de poezen, gezien het bloed en de ontbrekende ledematen. Samen met Guus werden de vogeltjes weer terug in hun veel te warme nestjes onder de dakrand gezet. Even later vlogen de gierzwaluwouders onder de dakranden om hun kroost de vangst van die dag te voeren alsof er niets was gebeurd. Andere zochten wanhopig naar hun kuikens, vlogen weer weg om niet meer terug te keren. Ik voelde mij machteloos en verslagen door het weer, het klimaat, de toekomst.
Gierzwaluwkuikens
De dagen die volgden werd het gelukkig koeler en de blik werd weer verruimd tot over de grenzen van het eigen bedrijf en het leven in het nu weer uitgebreid met het kijken naar de toekomst. Voorzichtig vroegen de collega veehouders elkaar onderling hoe het de afgelopen dagen was gegaan. Bij de meesten was het gelukkig allemaal net goed gegaan. De hitte had echter niet nog een dag langer moeten duren. Voor één keer was iedereen het eens met elkaar. Bij een enkeling had de hitte helaas net iets te lang geduurd en moesten er een aantal koeien worden afgevoerd. Over de in elkaar gezakte melkproductie werd nauwelijks gesproken maar veel over de maanden en jaren die nog komen gaan. Hoe overleven we een volgende ‘canicule’? Welke aanpassingen maken het bedrijf toekomstbestendig?


In de media las ik artikelen en discussies over of de hittegolf wel of niet wordt veroorzaakt door klimaatverandering, of de mens wel of niet de schuldige is van opwarming en wie wat en hoeveel moet gaan doen om verdere klimaatverandering te temperen. Na de afgelopen hittegolf lijken deze vragen vooral afleiding te zijn van de hoofdvraag. Want moet deze inmiddels ook niet zijn hoe we ons aan gaan passen aan weersextremen? Aan hitte, storm, droogte, overstromingen, koude, hagel? Alleen draaien aan de trage klimaatknoppen lijkt niet meer voldoende te zijn. De toekomst liet zich kort zien, eind juni 2019, ergens in het midden en zuiden van Frankrijk, is dichterbij dan wordt gedacht en gaat wellicht langer duren dan een week.

donderdag 5 juli 2018

Weg met de verantwoorde keurmerken en lekker en gezond voedsel voor iedereen


Sinds dat ik melkveehouder ben geworden vraag ik mij af of ik wel geschikt ben voor dit beroep. Als veehouder moet je niet alleen lange dagen kunnen maken maar ook een alleskunner zijn. Zo kun je de dag beginnen met de koeien te voeren, een paar uur later met een trekkerdealer het over duizend verschillende opties van een gierton hebben, vervolgens een kleine reparatie aan de melkrobot moeten uitvoeren, aan het einde van de dag met de boekhouder de jaarrekening doornemen en voordat je naar bed gaat nog even snel in je pyjama ontsnapte pinken weer terug in de wei drijven.

Een veehouder moet niet alleen over veel kennis en kunde beschikken maar vooral een groot incasseringsvermogen hebben. Aan onverwacht zieke koeien wen je nooit maar is minder ingrijpend dan bijvoorbeeld de grote verschrikkelijke hagelbui en de daarop volgende dorre droogte van 2016. In 2017 mochten wij daar de ‘vruchten’ van plukken. Of eigenlijk niet want er was nauwelijks oogst en in een jaar tijd zagen wij een groot deel van onze reserve opgaan aan het aankopen van ruwvoer voor onze koeien. We hadden even hard gewerkt als de voorgaande jaren maar de bedrijfsresultaten lieten zien dat er dat jaar geen inkomen voor ons beschikbaar was.

Er is denk ik niets meer ontmoedigend dan hard werken en niet beloond worden. Het enige wat dan houvast geeft is de ervaring van collega’s die zeggen dat wanneer je een dergelijk slecht jaar ‘overleeft’ het uiteindelijk wel goed komt. Sporadisch een slecht jaar hoort nu eenmaal bij het boerenleven.

Geloof alles wat je in de media leest, behalve wanneer het je eigen vakgebied betreft
Maar waar ik de laatste tijd toch wel het meest moeite mee heb is het omgaan met de publieke opinie. Zeker voor een teer zieltje als ik. Er gaat geen dag voor bij of er wordt wel weer gekopt dat boeren milieucriminelen, roofbouwers of dierenbeulen zijn. Vooral de ‘gangbare’ boer (wat dat ook moge zijn want ik heb er nog geen ontmoet) heeft het te verduren. Deze zorgt voor insectensterfte, vergiftigt het milieu met glyfosaat, doodt de bijen met pesticiden, vervuilt het drinkwater, ontbost de tropen, zorgt voor enorme hoeveelheden CO2-uitstoot en haalt kalfjes gewetenloos bij de moeder weg.

Wat er ook gebeurt, de landbouwsector krijgt het op zijn bordje. Soms is de kritiek terecht maar vaak ook vaag en ongenuanceerd en soms regelrechte ‘gekersenplukte’ onzin. De journalist doet aan hoor maar niet aan wederhoor om zijn vooraf bedachte hypothese niet te ondermijnen en zijn verhaal op die manier zo veel mogelijk kracht bij te zetten. Zolang de intenties maar goed zijn mag de waarheid geweld aan worden gedaan. Want wie is er nu tegen duurzaamheid? Ooit vertelde iemand in een interview dat hij alles gelooft wat hij in de media leest, behalve wanneer het zijn eigen vakgebied betreft. Inmiddels weet ik uit ervaring dat niets minder waar is en probeer ik zoveel mogelijk oppervlakkige stukken over de landbouw te negeren.

Helaas lukt dit niet altijd want in mijn vriendenkring op de sociale media behoren enkele veganisten die dit graag laten zien hoeveel ze van dieren houden door zoveel mogelijk dierenleed te posten. Meestal kan ik deze posts langs mij heen laten glijden maar af en toe worden ook deze berichten mij teveel. Na een slapeloze nacht waarbij mijn partner een paar uur naast een kalf heeft gelegen om deze op te warmen en te redden van onderkoeling, kan ik sommige vegan berichten die ’s ochtend mijn newsfeed vullen moeilijk verdragen. Een bericht waarin de melkveehouderij weer eens wordt vergeleken met de Holocaust gaan mij dan echt een stapje te ver.

Schuldgevoel
Zelfs tijdens het boodschappen doen word je geconfronteerd met wijzende vingertjes. Onze supermarkt heeft sinds kort een authentiek marktje ingericht waarin biologische producten wordt aangeboden, wat bij de entree met schreeuwende reclames de klanten duidelijk wordt gemaakt. Koop biologisch! Geproduceerd zonder kunstmest, chemische bestrijdingsmiddelen en antibiotica want dat is beter!

Het probleem is dat niet wordt aangegeven wat beter is. Wetenschappelijk is bijvoorbeeld niet aangetoond dat bio uiteindelijk beter is voor klimaat, milieu, smaak of gezondheid. Maar zo’n label veronderstelt indirect dat al het andere slechter is en laat mij uiteindelijk met een schuldgevoel achter. Ik ben bulkboer: produceer melk voor de levensmiddelenindustrie, gebruik kunstmest, chemische gewasbeschermingsmiddelen en antibiotica. Ik ben een zondaar in de tijd waarin het goddelijke geloof is vervangen voor een duurzaamheidsgeloof om de welvarende mens toch nog een beetje betekenis te geven aan zijn leven. Duurzame doelen streef ik graag na maar wel met middelen waarvan de effectiviteit op wetenschap berust en niet met eisen die slechts een ongemakkelijke onderbuik gevoel weg nemen.



Ik zou in de supermarkt mijn schuld kunnen afkopen door mijn karretje vol te gooien met bioproducten, fairtrade thee, Max Havelaar koffie, beter leven vleeswaren, slaafvrije chocola, een msc-visje en onbespoten groenten. Toch knagen al die ‘feel good’ labels aan mij. Is het niet raar dat er alternatieve verdienmodellen voor voedsel nodig zijn? Dat er voor elk vervuilend product tegenwoordig een groene variant is en voor een oneerlijke een eerlijke? Moet voedsel aankopen niet alleen gaan over of het lekker en gezond is? Veranderen die keurmerken echt de wereld? Ik heb er mijn bedenkingen bij. Voor mij zitten er toch ook wat nadelen aan deze keurmerken.

Het systeem blijft hetzelfde
Voor mij gaat het duurzaamheidsverhaal vooral over teveel mensen die teveel consumeren. En dat probleem lossen de keurmerken niet op. Consumenten worden met duurzaamheid keurmerken niet gestimuleerd tot minderen en blijven verleid tot meer aankopen. Het systeem van meer winst maken door meer verkoop blijft bestaan. Inmiddels zijn veel duurzaamheid labels zijn een businessmodel geworden en hebben ze allang niet meer de oorspronkelijke functie van wakker schudden en voorlichten. Voor supermarkten is het gewoon een extra aanbod dat hopelijk weer nieuwe klanten naar de winkel trekt.

Keurmerken zorgen voor ongelijkheid
Daarnaast werken de verantwoordelijke labels sociale ongelijkheid in de hand. Rijkere mensen krijgen meer kans om ‘goed’ te doen dan de mensen met een kleiner budget. Het is onterecht dat de groene elite haarzelf op de borst klopt van goedheid terwijl ze woont in grote villa’s of grachtenpanden, die een vermogen kosten om ’s winters warm te houden, ondertussen door gaat met vliegreizen voor werk en vakantie en de aankoop van het nieuwste smartphonemodel. De bijstand ouder in een klein appartementje met een beperkt budget, een vakantietripje naar de lokale kinderboerderij maar een veel lagere ecologische voetafdruk wordt niet meer gehoord of gezien. Duurzaamheid dreigt een elitaire bezigheid te worden.

Compensatiegedrag maakt meer kapot dan je lief is
Verder schijnt dat wanneer iemand een verantwoorde aankoop heeft gedaan dit neigt te compenseren. Het wekelijks vullen van de boodschappenmand met verantwoorde artikelen geeft het recht op een verre vliegvakantie. Een zonnecollector op het dak maakt de aanschaf van een jacuzzi in de tuin goed. En met het vervangen van alle gloeilampen door LED verlichting mag een weer groter model flatscreen worden aangeschaft. Dit is geen beschuldiging maar alleen een constatering. Een product voorzien van een duurzaamheid label geeft geen garantie op een duurzaam effect en kan uiteindelijk zelfs leiden tot een tegenovergesteld effect.

Het democratisch systeem brokkelt af
Tenslotte lijkt verantwoorde consumptie moreel goed maar ontneemt het de burger haar macht en wordt het algemeen belang van de politiek uitgehold. In een consumptie democratie krijgen de personen met het meeste geld de meeste stemmen. Politieke verandering hoort door iedereen gevraagd te kunnen worden en niet door de happy few.

Wanneer we niet uitkijken, laten we ons door de reclames (en dus het bedrijfsleven) die verantwoordelijke logo’s aanprijzen uitleggen wat onze waarden en doelen moeten zijn. Om mensen in het begin bewust te maken van een probleem is een verantwoord keurmerk niet erg maar zodra het label na een tijdje een verdienmodel wordt, wordt het bedenkelijk.
Wanneer bijvoorbeeld dierenwelzijn een probleem is, moet een beter leven dan niet op den duur voor alle dieren gaan gelden? Moet de overheid dan niet verlangen dat de eisen van het label in de gangbare regelgeving wordt opgenomen? Goede regelgeving verschuift bovendien de macht van producenten en verkopers weer naar de consument en maakt hen weerbaarder tegen een manipulerende omgeving van reclames en uitgekiende schappenindelingen.

Goede en foute boeren
Producten met verantwoorde labels hebben een nobel doel maar veronderstellen indirect dat er goede en slechte producten zijn en dat er goede en slechte boeren zijn. Voor de gewone boer die zijn uiterste best doet om een gezond product op de markt te brengen volgens alle wet- en regelgeving is deze indirecte beschuldiging nog eens een extra last. Zeker wanneer je beter begrijpt wat de positie van de boer is. En dat is een lastige omdat de maatschappij alles van hem verlangd (milieu, dierenwelzijn, biodiversiteit) maar zijn afnemer, de directe klant (de melkfabriek bijvoorbeeld) hele andere eisen stelt. Het liefst zoveel mogelijk voor zo goedkoop mogelijk.

De boer krijgt geld voor het behagen van zijn afnemer (de zuivelfabriek) maar niet van de consument. Maar wanneer tijdens de teelt pesticiden worden gebruikt, wordt de boer hier op aangekeken, niet de supermarkt of de levensmiddelenfabrikant. Terwijl wanneer een spijkerbroek wordt verkocht met foute katoen, niet de boer maar juist de fabrikant hierop wordt aangesproken.

De boer, die zorgt dat voedselvoorziening voor de consument alleen nog maar een ritje naar de supermarkt is en niet meer een dagtaak, zou graag willen voldoen aan alle extra eisen die de maatschappij stelt maar kan dit nauwelijks omdat hij niet in die positie is. Wanneer hij hier continu op wordt aangesproken, raakt deze ontmoedigd. Veranderen kan hij niet alleen.

ideeënuitwisselingen op basis van wederzijds respect
Omdat duurzaamheid iedereen aangaat, kan duurzaamheid alleen worden bereikt door te beseffen dat de hele keten, van producent tot consument en van burger tot overheid verantwoordelijk is. Met elkaar beschuldigen via schreeuwsessies in de (a)sociale media komen we er niet. Alleen samen, via ideeënuitwisselingen op basis van wederzijds respect, kunnen grote stappen worden gezet. Zodat uiteindelijk duurzaamheid gangbaar wordt en keuzes in de supermarkt alleen nog maar hoeven te gaan over of voedsel lekker en gezond is.

vrijdag 13 oktober 2017

Glyfosaat (niet) voor dummies

Sinds een aantal jaar probeer ik de ‘never-ending-story’ over glyfosaat te volgen. Want als eenvoudige boerin die ook wel eens glyfosaat gebruikt, wil ik graag weten waar ik aan toe ben. Loop ik daadwerkelijk gezondheidsrisico en breng ik nu wel of niet schade aan het milieu toe?

Omdat sommige lezers misschien denken: glyfosQUOI? Eerst een korte samenvatting over dit omstreden gewasbeschermingsmiddel/landbouwgif.

Monsanto
Glyfosaat werd 40 jaar geleden door Monsanto op de markt gebracht onder de naam RoundUp als onkruidbestrijder. Het werd verkocht als het ideale gewasbeschermingsmiddel voor de landbouwer want de werkende stof zou alleen inwerken op planten (is dus ongevaarlijk voor mensen), lost op in water (dus hoopt niet op in vetweefsel van mensen) en omdat het biologisch afbreekbaar is, zou het niet ophopen in de bodem. Aanvankelijk was het product behoorlijk kostbaar maar sinds in 2000 het brevet is vervallen en elke fabrikant het product mag maken, zijn de prijzen gedaald en is het gebruik ervan aanzienlijk toegenomen.

Om toch nog te verdienen aan glyfosaat ontwikkelde Monsanto daarom genetisch gemodificeerde zaden die resistent zijn tegen glyfosaat (alleen in Nederland zijn de zaden genetisch gemanipuleerd) zodat ook tijdens de groei van het gewas kan worden gespoten met Roundup. Het gewas groeit verder en de onkruiden sterven af.

Waarschijnlijk groeide hierdoor het schijnbare perfecte gewasbeschermingsmiddel in 40 jaar uit tot het symbool van zo’n beetje alles wat mis is met de landbouw en vooral Monsanto: groots, giftig en Amerikaans.

Glyfosaat: waarschijnlijk kankerverwekkend
Voor de linkse, biologische lobby was het daarom in het voorjaar van 2015 groot nieuws dat de IARC (internationaal agentschap voor kankeronderzoek) in opdracht van de WHO een beoordeling deed en concludeerde dat glyfosaat waarschijnlijk kankerverwekkend is voor de mens. Glyfosaat werd ingedeeld in de klasse waarin ook mosterd, rood vlees en ’s nachts werken vallen. Belangrijk is om te weten dat een IARC-evaluatie zich beperkt tot de vraag of een stof wel of niet kanker kan veroorzaken zonder een uitspraak te doen over de mate van blootstelling die bij de mens hiervoor nodig is. Het wijst op een gevaar maar zegt niets over het risico.

Paracelcus: Alles is giftig, de dosis maakt het vergif
De klassering ‘waarschijnlijk kankerverwekkend’ was in ieder geval genoeg reden om voor verschillende instanties de stof glyfosaat nog eens te herevalueren. En zo beoordeelden in de herfst van 2015 de EFSA (Europese agentschap voor voedselveiligheid) en in het voorjaar van 2016 de JMPR (Joint Meeting on Pesticide Residus, comité van de WHO) dat bij een normale blootstelling aan glyfosaat er geen risico is voor de mens. Alleen bij een onrealistisch hoge doseringen is er een gevaar op tumorvorming. En ook het ECHA (het Europees chemieagentschap) vindt in het voorjaar van 2017 de stof veilig voor gebruik.

Inmiddels is er echter ook een ‘discussie’ losgebarsten tussen de IARC en de Europese agentschappen waarbij over en weer verwijten worden gemaakt over partijdigheid en slecht onderzoek. Zo zou de EFSA teveel beïnvloed zijn door de industrie omdat ze onderzoeken gebruikt die door de industrie zijn aangeleverd (die voldoen aan protocollen en richtlijnen om onafhankelijkheid te waarborgen) en door Monsanto rapporten hebben laten 'ghostwriten'.

De IARC daarentegen schijn gebruik te hebben gemaakt van een technisch expert die tevens een milieuactivist blijkt te zijn en in de week dat de IARC bekend maakte dat glyfosaat waarschijnlijk kankerverwekkend is een contract tekende met een advocatenkantoor die Monsanto aanklaagt. Bovendien heeft de IARC bij de beoordeling een langdurig onderzoek onder 89.000 Amerikaanse boeren en hun gezinnen die werken met glyfosaat buiten beschouwing gelaten. Dit onderzoek toonde geen relatie tussen het gebruik van glyfosaat en kanker. De resultaten waren wel bekend maar nog niet gepubliceerd en daarom niet meegenomen in de evaluatie.

Groeiende wantrouwen
Hoe langer ik het internet afscroll, in de oceaan van (mis)informatie, in de illusie kennis te vergaren, realiseer ik mij meer en meer dat de informatie die ik krijg voorgeschoteld niet allemaal even onafhankelijk en betrouwbaar is. Dat geldt net zo goed voor de informatie van de NGO's en activisten als voor de gewasbeschermingsmiddelenindustrie maar geldt tevens voor de bron van informatie, het internet.

De multinationals zijn het kwaad van de wereld die alleen uit zijn op winstbejag en het liefst de wereld willen vergiftigen met hun chemische producten en vertellen dat het allemaal wel meevalt. En organisaties als Greenpeace en Foodwatch bestaan voor een heel groot deel bij de gratie van 'alternatieve' producenten zoals de biologische industrie, die hun winstmodel hebben gebaseerd op angst voor conventionele producten. Ze spelen in op het wegvallen van de angst voor de duivel en de priester en vervangen dit onbehagen door te wijzen op mogelijke gevaren van GMO en glyfosaat.

Maar ook de informatie van voorheen betrouwbare media is niet meer geloofwaardig. Omdat het voornamelijk belangrijk is of een lezer klikt op een artikel, zodat er reclame-inkomsten mee gegenereerd kunnen worden, is de inhoud minder relevant geworden en gaat het voornamelijk om de emotie van de lezer aan te spreken. De kop ‘Landbouwgif in ijsjes van Ben & Jerry's’ zal de meer kliks en inkomsten genereren dan de kop: ‘Ben & Jerry’s stelt dat een kind van 35 kilo zo’n 145.000 porties ijs per dag moet eten om de limiet van het Amerikaanse Environment Protection Agency te bereiken’.

Daarnaast wantrouw ik de zoekresultaten van Google. Het schijnt dat algoritmes aan de hand van mijn zoekgedrag, likes en shares bepalen welke resultaten ik te zien krijg. Merkwaardig genoeg krijg ik steevast als eerste resultaat een advertentie van Greenpeace, met de oproep een petitie ‘STOP glyfosaat’ te tekenen. Ook wordt geen onderscheid gemaakt tussen blogs van ‘iemand die ook wel eens wat schrijft’ en wetenschappelijke artikelen van onderzoeksinstituten. Die verschijnen in willekeurige volgorde in de lijst met zoekresultaten. Gefrustreerd klik nog even door in mijn internetbubbel en geef dan mijn zoektocht naar de waarheid over glyfosaat op. Ik raak verward en uitgeput. Ik kan niet voor maar ook niet tegen een verbod van glyfosaat zijn. Ik weet het gewoon niet en laat de beoordeling maar over aan deskundigen. Glyfosaat is niet voor dummies.

De enige conclusie die ik kan trekken is dat we een monster van wantrouwen aan het creëren zijn en vraag me af of we realiseren welke gevolgen dit met zich meebrengt. Wat blijft er van de democratie over wanneer we geen gezamenlijke feiten meer hebben maar iedereen zijn eigen mening onderbouwt met zijn eigen feiten?

De dosis wantrouwen maakt iets giftig
In het geschapen klimaat van wantrouwen weet de kersverse Franse minister van ecologische transitie Nicolas Hulot het wel. Een aantal weken geleden heeft hij te kennen gegeven dat Frankrijk tegen zal stemmen wanneer in de Europese Commissie om hernieuwde toelating van glyfosaat zal worden gestemd. En verder…dat ongeacht wat de uitkomst van de commissie is, het gebruik van glyfosaat vanaf 2022 in Frankrijk verboden zal zijn. Het wel of niet verbieden van glyfosaat gaat allang niet meer over de risico’s en zekerheden maar is politiek geworden. Waarbij één ding zeker is: een verbod zal de Franse minister zeker populairder maken. Want de angst is behoorlijk groot onder de Franse bevolking. Wellicht omdat de woorden glyfosaat en 'waarschijnlijk kankerverwekkend' onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden in de Franse media.

Voor veel Franse boeren betekent het verbod dat een belangrijk gereedschap bij het bestrijden van onkruid wordt afgenomen en hun concurrentiepositie met het buitenland zal worden verzwakt. Alternatieven zijn in elk geval minder effectief en duurder. Daarnaast is het maar de vraag of het gebruik van alternatieven minder schadelijk zijn voor het milieu en de gezondheid. Maar hierover wordt in de media nauwelijks verslag gedaan.

Uit voorzorg: schoffelaars gezocht voor 2022
Omdat ondanks het aangekondigde verbod op glyfosaat het onkruid helaas wel blijft doorgroeien, zoek ik uit voorzorg voor 2022 alvast een leger schoffelaars die bij ons het onkruid willen wieden. Omdat schoffelen een soort van mediteren is, zal het worden aangeboden als een leef-in-de-kracht-van-het-nu cursus om rust en ontspanning te bieden aan mensen die uitgeput raken in dit tijdperk van informatieoverload. De training zal voor iedereen toegankelijk zijn, waarbij de focus ligt op doen en vaardigheid ontwikkelen door herhaling. De oefeningen zullen binnen een week worden uitgebouwd van drie naar twaalf uur per dag oefenen. Uiteindelijk zullen de oefeningen leiden tot een ontwikkeld inzicht hoe je met jezelf omgaat en welke effecten dit heeft op de natuurlijke omgeving. Voor wie na een week tot inzicht komt dat er toch weer onkruid gaat groeien en zich afvraagt waar hij mee bezig is geweest is er een existentiële vervolgcursus mogelijk.


Het wordt vast een groot succes. Ook ik heb vertrouwen in de toekomst.

glyfosaat, niet voor dummies