Heel lang geleden toen de mens
nog in een berenvel achter beesten aan joeg en planten verzamelde, was de kans
op een goed gevulde maag na een lange dag van voedsel verzamelen onzeker. Geleidelijk
aan werd daarom overgestapt op landbouw en het domesticeren van dieren. De voedselvoorziening
werd hierdoor iets zekerder maar de tijd die nodig was om dit voedsel te laten
groeien en opfokken was nog steeds erg arbeidsintensief. Tot eind jaren vijftig
van de vorige eeuw was nog zeker 50 procent van de beroepsbevolking werkzaam in
de landbouw. De productieverbeteringen en de opkomst van landbouwmachines
hebben ervoor gezorgd dat tegenwoordig in het westen nog slechts twee procent
van de beroepsbevolking de rest voorziet van voedsel.
Eigenlijk zou dit fantastisch
moeten zijn voor die rest. Heerlijk heel de dag nietsen terwijl een paar mensen
zorgen voor het eten. Maar ja, zoals iedereen weet is dit niet het geval.
Mensen houden blijkbaar niet van nietsen, tenzij ze het erg druk hebben, en daarom
hebben ze handel en dienstverlening bedacht om elkaar bezig te houden. Dit
alles weer om met het geld dat ze verdienen voedsel te kunnen kopen en in hun
vrije tijd vakantie te kunnen vieren of...te jagen. De stadsmens op mooie
spulletjes in de winkelcentra en de plattelandsmens, bij gebrek aan
winkelcentra, op echt ‘wild’. (Wild heb ik tussen aanhalingstekens geplaatst
omdat het echte wild zoals beren en wolven in Europa nog slechts streng bewaakt mogen
rondlopen in de natuur).
En zo belanden we op een druilerige
maar mooie zaterdagochtend in december op het platteland, ergens in het midden
van Frankrijk. Een boerin heeft zojuist het eerste deel van de
ochtendwerkzaamheden afgerond en staart nog even voor zich uit over het
betoverende landschap. Ze hoort een laatste uil roepen, wat roodstaartjes
scharrelen in de bosjes en ze ziet drie reeën grazen van het laatste beetje
gras langs de bosrand. Deze week heeft ze de reeën elke ochtend waargenomen. Ze
denkt weemoedig aan de dag die komen gaat en dat het waarschijnlijk de laatste keer zal zijn dat ze
deze mooie beesten ziet. Vandaag is het de zaterdag voor de kerst wat
betekent dat de jachtvereniging vandaag zeker actief zal zijn.
In Frankrijk is de jacht een groot
sociaal gebeuren. Na de voetbalbond heeft de jachtbond het meest aantal leden
(meer dan 1,3 miljoen) en vijf jaar geleden deed er zelfs een partij voor de
jacht mee aan de presidentverkiezingen van Frankrijk. Verder wordt er jaarlijks
per lid gemiddeld voor 1600 euro aan jachtspullen besteed. Acht jaar geleden
ging dit voornamelijk op aan munitie, geweren en afgeschreven bestelautootjes,
tegenwoordig wordt dit besteed aan halfautomatische geweren en afgeschreven terreinwagens.
Ik vrees dat dit over acht jaar mitrailleurs en legervoertuigen zullen zijn.
Ondanks dat ik niks heb met jagen hebben wij de plaatselijke
jachtclub toestemming gegeven om op ons land te mogen jagen. Wilde zwijnen
kunnen in één nacht behoorlijk wat schade aanrichten aan de gewassen waardoor
het de moeite waard is bevriend te zijn met de jagers. Maar van mij mogen ze de
reeën laten lopen en blijft voor mij de Franse jacht een bijzonder verschijnsel.
Het begint al met hun kleding.
Ze zien er altijd heel stoer uit in hun camo bruin, groen en grijze kleding.
Zelfs het ondergoed is camo. Dat weet ik omdat wij als plattelandbewoners altijd
foldertjes toegestuurd krijgen met jachtdingetjes. Maar ja, veiligheid gaat
boven alles zodat over de onopvallende camokleding vervolgens fluorescerende
hesjes heen worden getrokken. Alles om te voorkomen dat je door een medejager
wordt geraakt.
Want, ja, jagen doe je immers niet
alleen. In de prehistorie niet en tegenwoordig ook niet. Ik weet sinds een week
waar zich elke ochtend drie reeën bevinden. En de jagers weten dat ook omdat ik
ze in hun terreinwagen de beesten heb zien spotten. Na wat schietoefening
moeten deze beesten eenvoudig af te schieten zijn, lijkt mij. Je verstopt je op
het betreffende tijdstip met je kleding en geweer in een bosje en schiet ze met één
schot af.
Maar niets van dit alles. Fransen
zijn sportief aangelegd en geven hun prooi een eerlijke kans. Op
zaterdagochtend wordt iedereen met honden en geweren bij elkaar gebeld en wordt
vanaf tien uur de rust op het platteland verstoord met de geluiden van een
drijfjacht. Auto’s die van de ene bosrand naar de andere scheuren, honden die
blaffend het bos in worden gejaagd, gejank, geschreeuw, gekrijs, gehuil, geknetter
van de halfautomatische geweren en aan het eind van de middag eindelijk de
verlossende toeter. De jacht is ten einde. Honden zoeken verdwaasd hun baasjes
waarna deze met hun buit huiswaarts gaan.
De volgende ochtend heeft de
boerin wederom het eerste deel van de ochtendwerkzaamheden afgerond en staart
nog even voor zich uit over het betoverende landschap. Tot haar verrassing ziet
ze reeën weer verschijnen aan de bosrand. Ze is blij. De jagers hebben gisteren een leuke dag gehad, de reeën leven nog maar bedenkt dat jacht
eigenlijk verboden zou moeten worden omdat het toch wel wreed is wat de jagers doen en niet nodig gezien het voedseloverschot in Europa.
In de verte ziet ze aan de
oever van het meertje een reiger een visje wegpikken, een valk bidt hoog in de
lucht om zich vervolgens in een razend tempo op een prooi te storten en ze hoort
het kermende gepiep van een muisje waar één van de poezen mee aan het spelen
is.
![]() |
Mooi jachtgebied |
Weer mooi geschreven Ellen! Lang leve de Noth Bambies. Je red je er trouwens weer mooi uit met die foldertjes door de bus! ;-)
BeantwoordenVerwijderen